DE KENNIS VAN VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST

Wat voor nut heeft enige poging in 't leven als de toekomst al vastgesteld is, zal men vragen. En een ander zegt: "Er bestaat geen predestinatie, want alle dingen die gebeuren, worden door ons zelf veroorzaakt."
Er zijn mensen, die altijd trachten het goede te doen, en het zal altijd verkeerd uitkomen. Zo iemand vraagt dan: "Word ik belemmerd door boze geesten?"
De Soefi bestudeert de schaduw, teneinde het licht te verstaan. Hij zoekt de verbindende schakel tussen goed en kwaad. Dat zijn twee punten, die door één lijn verbonden zijn. Als gij naar een van beide zoekt, gaat gij óf naar de ene, óf naar het andere punt, maar als ge de lijn vasthoudt, begrijpt ge het geheel. Bij ieder probleem moet gij de lijn zien, i.p.v. de twee uiteinden. Dat is Soefisme.
De schilder schept een schilderij in drie stadia: a. voorbereiding; b. behandeling; c. voltooiing; gezien vanuit het stadium van behandeling is dit verleden, heden en toekomst. Dit doen wij allen.
De eerste trap is het ontwerp van het beeld; dat is voorbeschikking. Wij zijn de openbaring van de eeuwige Zon, en daardoor zijn alle eigenschappen van de Schepper in Zijn schepselen. Ook wij maken een plan voor wij met iets aanvangen. Wij hebben het in onze gedachten geschapen. Zo deed de Schepper, zo doet de mens. Wij scheppen met een penseel, een pen. Zijn kunst is de natuur. De Koran zegt: "Wij hebben de mens onderricht met de pen der natuur." Het is onze natuur om te scheppen; en door kunst te scheppen, kunnen wij onze bedrevenheid ervaren. De kunst die wij voortbrengen is in overeenstemming met onze natuur, met de schepper in ons.
In het tweede stadium komt het beeld op het doek, het inspireert thans zelf de schilder. Naarmate het groeit ziet hij dat de kleur anders moet zijn, ontdekt hij de fouten erin, en verandert ze. Zo gaat het in elk leven. Het ene stadium van ons leven is voorbeschikking, in een tweede werken wij ons plan uit, en het derde is het resultaat van onze handelingen. "Zoals wij zaaien, zullen wij maaien." Van al wat wij doen zien wij de reactie, en die reactie verandert ons leven. Zoals zijn schilderij de schilder zegt, dat hij het op een andere wijze moet voleinden, dat het niet "af" is - zo zeggen ons onze daden of wij anders moeten handelen dan wij doen.
De mens wil altijd dingen weten, die hij nog niet weet. Dit stamt uit zijn kindsheid. Kinderen breken dingen om te weten wat er in zit. Maar de mens weet niet, hoe hij tot kennis moet komen. Hij verwacht te veel. Als hij eenmaal wéét, dan worden hemel en aarde aan hem geopenbaard. Als wij willen weten wat zich op de zevende verdieping bevindt, moeten wij de eerste verdieping verlaten. Als wij beneden zijn en niet hoger kunnen komen, betekent dit, zoals de mystiek ons duidelijk maakt, dat wij stellig wel wensen te gaan, maar op de benedenste verdieping gevangen zitten.
Roemi zeide: "Wat zegt de bamboe-fluit, dat gij zo graag naar haar luistert? Waarom klaagt zij? Waarom boeit zij zozeer uw aandacht? Wat treft u zo zeer? Zij klaagt over het leed van de scheiding; wijl zij weggeraakt is van haar tehuis, van de plant waartoe zij behoort. Zij is afgesneden van haar oorsprong. Zij treurt om de dagen toen zij één was met de ganse bamboe-boom. Zij treurt om de vreugde en de vrede welke zij heeft genoten, maar waaraan zij nooit meer deel heeft. Het is deze scheiding, waarover zij klaagt, waarmee zij u ontroert.
Zo is het met de mens gegaan. De mens wenst te weten van God, van de hemel, van de ongeweten dingen, van de onzichtbare wereld, en hij denkt het te kunnen zien vanaf de eerste verdieping. Hij is niet bereid te geloven, dat er iets als een zevende verdieping is; hij gelooft alleen de benedenste.
Als hij verlost werd van deze dwaling, en hem vergund werd op te stijgen naar de andere verdiepingen, dan zou hij zien wat deze hogere bevatten. En dan zou hij weten, dat er iets bestaat waardoor men de kennis van verleden, heden en toekomst kan verkrijgen.
Veronderstel dat er op de derde verdieping een mechanisme is, dat instrumenten voortbracht, dan zou men weten dat er op de eerste verdieping een verzameling materiaal moest wezen en op de tweede een rangschikking daarvan in groepen. Op de derde verdieping zouden zij bruikbaar gemaakt worden, en men zou daaruit begrijpen wat er op de vierde verdieping moet zijn.
In de Koran wordt gezegd: "Wij zonden onze dienaar (profeet) in de nacht naar de hemelse sferen, waar wij hem tekenen toonden zodanig als wij begeerden hem te tonen." Met andere woorden: God wenst wie Hem wil verwezenlijken, het leven zal kennen; het is Zijn wens dat wij de tekenen zullen zien, die Hij tevoren maakt en ordent, en ook datgene wat gekend zal worden door op te stijgen naar een derde en vierde verdieping.
De verdiepingen stellen de bestaansgebieden voor. Wij bestaan niet enkel op het aardse of fysieke gebied. Door in dit gebied geheel op te gaan, zijn we wakker hier, maar blind voor de andere gebieden. Woorden kunnen niet uitdrukken wat van de hemel is. Zij, die daarvan de kennis hebben, zijn gehouden te zwijgen, omdat daarvoor geen woorden bestaan. Het is een feit, dat alle gebieden hier zijn. Alleen als onze ogen niet open zijn om deze te zien, leven wij uitsluitend in het lagere gebied. Eens zal ons sterfelijk deel in de dood gaan: maar we kunnen nu reeds sterven in een andere betekenis, en nu reeds tot aanschouwing komen van het hogere. De verschillende verdiepingen zijn slechts omhulsels. In dit leven is het licht verborgen onder een schepel; deze schepel is het fysieke lichaam. Het licht kan niet ontsloten worden, eer het sterfelijk deel is opgeheven.
Als wij van onze ogen afhangen om te zien, van onze oren om te horen en van onze mond om te spreken, dan zijn wij nog dood. Maar soms ondervinden wij, dat we zien zonder ogen, kunt ge niet in een droom zien zonder ogen, horen zonder oren en spreken zonder woorden? Het vermogen om te zien en te horen is in ons; maar door ons altijd afhankelijk te stellen van het fysieke lichaam, worden wij hulpeloos en onderworpen aan de dood.
De lering van onsterfelijkheid is te ontwaken. Wij moeten ernaar streven onafhankelijk te worden van fysieke zintuigen.
Wij weten, dat als wij iets goed begrijpen willen, we onze ogen sluiten, teneinde het beter op ons te laten inwerken. Dit betekent, dat wij naar de een of andere gedachte luisteren, die uit een ander gebied tot ons komt. En daarvoor moeten wij klank en beeld van buiten afsnijden en weren. Alle meditaties en concentraties van de mystieken, ook hun dromen, zijn reizen naar de innerlijke gebieden. Als de ziel verleden, heden en toekomst verlangt te kennen, kan zij dit verlangen slechts bevredigen door een leven van contemplatie. Hoe meer de geest vermoeid is en uitgeput, des te meer heeft zij behoefte aan meditatie.
Wijzen spraken met rotsen, vogels en dieren; denkt aan St. Franciscus. Net zoals wij spreken, maar door middel van hun inzicht in het wezen der dingen; en alles deelde zich aan hen mede en sprak tot hen over verleden, heden en toekomst.
Het is geen wonder, dat dieren de toekomst kennen. Paarden, honden, katten weten wanneer er iemand sterven gaat. Dan beginnen ze te schreeuwen. En de mens weet het niet. Waarom zou hij het niet evengoed kunnen weten? Omdat zijn ziel is ingenomen door aardse belangen op dit ondermaanse, terwijl de dieren daar vrij van zijn. Zij zitten rustig en mediteren, en zijn geconcentreerd. De mens zit nooit rustig; de dieren door hun rust zijn in staat te weten, wat de mens verborgen blijft. Al te grote activiteit brengt de mens nader tot dood en verval. En de intuïtie wordt verstikt.
In de ziel leeft de neiging om vooruit te zien naar wat zal zijn, of terug naar wat geweest is. Dit doen wij met het licht in onze ziel, de hogere intelligentie. Zolang intelligentie zich tot hersenwerk bepaalt, reikt zij niet verder dan het intellect; werkt zij echter vrij en onafhankelijk dan is zij wijsheid.
Wijsheid is geen knapheid, maar oneindig superieur hieraan. Wijsheid werkt onafhankelijk van het verstand en vereist daarom intuïtie.
Zijn waarzeggerij, astrologie en dergelijke de beste middelen om de toekomst te kennen? Geen enkel is in de grond verkeerd - in alles is waarheid. Voor het oog van de ziener worden alle dingen zichtbaar. Wij behoeven daartoe onze toevlucht niet te nemen tot koffiedik of enig ander attribuut, voor de werkelijke ziener is alles als een open boek is.
De leider van de zaak weet alles wat er omgaat: maar de ondergeschikten weten alleen datgene waaraan zij bezig zijn. In een stad ziet de een het plein, de ander een straat, weer een ander een enkel huis of nog minder. Maar iemand die op de toren staat, ziet het geheel. Zo zal de ziener alles zien in zijn eigen bewustzijn, en datgene waarop zijn blik valt, zal hij nog helderder zien.
"Ieder blad van een boom wordt een boek van openbaring voor hem die ziet; hij leest de ganse natuur als een boek." Sa'di.