DE DRIE VISSEN
In een vijver leefden eens drie vissen- een pientere
vis, een slome vis en een domme vis. Het leven verliep voor hen zoals overal
voor vissen, totdat er op een dag een man verscheen.
Hij had een net bij zich en de pientere vis zag hem door het water heen. Door
van zijn ervaring, zijn verstand en de verhalen die hij had gehoord gebruik te
maken, besloot hij iets te ondernemen.
'Er zijn weinig plaatsen in de deze vijver waar ik me kan verbergen', dacht hij.
'Daarom zal ik doen of ik dood ben.'
Hij verzamelde zijn krachten, sprong uit de vijver en kwam aan de voeten van de
visser terecht, die nogal verbaasd was. Maar omdat de pientere vis zijn adem
inhield, dacht de visser dat hij dood was en gooide hem terug.
De vis gleed echter in een holletje onder de oever.
De tweede vis, de slome, begreep niet helemaal wat er gebeurd was. Hij zwom naar
de pientere vis toe en vroeg hem alles.
"Eenvoudig', zei de pientere vis, "ik deed of ik dood was, dus gooide hij me
terug.'
De slome vis sprong onmiddellijk uit het water, aan de voeten van de visser.
'Vreemd', dacht de visser, 'ze springen hier allemaal rond.'
Maar omdat de slome vis vergat zijn adem in te houden, begreep de visser dat hij
leefde en stopte hem in zijn zak.
Hij kwam terug om in het water te kijken en omdat hij nogal verbaasd was vissen
vlak voor zich op de grond te zien rondspringen, deed hij de klep niet over zijn
zak.
Toen de slome vis dit bemerkte, kon hij zich er net uitredden en, al heen er
weer spartelend, wipte hij terug in het water. Hij zocht de eerste vis op en
ging hijgend naast hem liggen.
De derde vis, de domme, kon helemaal niets van dit alles doen, zelfs niet toen
hij de verhalen van de eerste en de tweede vis had gehoord. Ze namen dus ieder
punt met hem door, bezwoeren hem vooral niet te ademen en te doen alsof hij dood
was.
'Bedankt, nu begrijp ik het', zei de domme vis.
Met deze woorden slingerde hij zich uit het water en belandde precies voor de
voeten van de visser.
De visser echter, die al twee vissen verloren had, stopte hem in zijn zak zonder
zich erom te bekommeren of hij ademende of niet. Hij wierp het net steeds weer
in de vijver, maar de eerste twee vissen kropen onder de oever.
En deze keer was de tas goed gesloten. De visser gaf het tenslotte op. Hij
opende de zak, zag dat de domme vis niet ademde en nam hem mee naar huis voor de
poes.